Le Corbusier
Charles-Edouard Jeanneret-Gris wordt op 6 oktober 1887 geboren in la Chaux-de-Fonds, in de Zwitserse Jura. Na een aantal jaar gestudeerd te hebben aan de kunstschool in zijn geboortestad, vervolgt hij zijn carrière als autodidact, en maakt vele reizen, iets dat hij zijn hele leven lang zou blijven doen. Zijn ontmoeting met de broers Perret (architecten) is bepalend voor de keuze van "onbewerkt gewapend beton uit bekisting”. Deze kleurrijke persoon met zijn vele facetten laat zich al vanaf 1920 Le Corbusier noemen. Hij is zowel architect, stedenbouwkundige, schilder, schrijver, beeldhouwer als designer en omschrijft de architectuur zelf als "het knappe, correcte en schitterende spel van volumes in het licht". Als architect met internationale bekendheid bouwt hij meer dan 75 gebouwen in 12 verschillende landen en werkt aan zo’n 200 projecten. Hij komt op 27 augustus 1965 in Roquebrune Cap-Martin door een ongeval om het leven, op het moment dat hij bezig is met de aanleg van de wijk Firminy-Vert, het grootste stedenbouwkundige complex van de architect in Europa.
Eugène Claudius-Petit
Eugène Claudius-Petit wordt op 22 mei 1907 in Angers geboren. Hij volgt een opleiding tot meubelmaker en vertrekt vervolgens naar Parijs (faubourg Saint-Antoine). Als hij terugkeert naar de provincie, wordt hij tekenleraar aan het Ampère lyceum (Lyon). In deze stad sluit hij zich aan bij het Verzet dat hem naar Algiers leidt. Als naaste medewerker van Generaal De Gaulle wordt hij Minister van Wederopbouw en Stedenbouw, van 1948 tot 1952. Hij wordt meerdere malen gekozen tot afgevaardigde van het departement Loire en is burgemeester van Firminy van 1953 tot 1971.
Als trouwe vriend van Le Corbusier deed hij een beroep op laatstgenoemde voor de aanleg van meerdere gebouwen in de wijk genaamd Firminy-Vert.
De Wijk Firminy-Vert
Firminy is een stad met een belangrijk mijnverleden. In de 19e en 20e eeuw nam de bevolking hier flink toe dankzij de bloei van de ijzer- en staalindustrie.
In 1953 laat Eugène Claudius-Petit in zijn stad een sociale, economische en menselijke balans opmaken om de behoeften van de bevolking vast te stellen. De armoedige woningen en het gebrek aan hygiëne en comfort zijn de belangrijkste kopzorgen.
Daarom overweegt Eugène Claudius-Petit in een eerste stedenbouwkundig plan om het stadscentrum te rehabiliteren en een nieuwe wijk aan te leggen: Firminy-Vert. Deze nieuwe wijk wordt gemaakt door vier architecten: Charles Delfante, André Sive, Marcel Roux en Jean Kling komen met een bouwkundig project dat radicaal afwijkt van het oude "Firminy la Noire". Deze architecten werken volgens de principes van het "Charter van Athene" (opgesteld in 1933 tijdens het 4e Internationale Congres van Moderne Architectuur) waarin alle grote ideeën van de architect Le Corbusier terug te vinden zijn.
In dit charter staat namelijk dat een belangrijk percentage van de grond gewijd moet zijn aan groenvoorzieningen. De vier fundamentele functies zijn: "wonen, werken, recreatie en vervoer". De mens moet tot ontplooiing kunnen komen op een plek waar “zon - ruimte – groen” de boventoon voeren.
Vanaf 1957 worden er 1070 sociale woningen aangelegd. De wijk wordt bovendien voorzien van collectieve diensten als scholen, sociale centra en winkelcentra. De communicatiewegen zijn gerangschikt van voetgangerspad tot verschillende grote wegen.
Dit complex krijgt in 1961 de Grand Prix d’Urbanisme (grote prijs voor stedenbouwkunde) en geniet tegenwoordig bescherming omdat het geklasseerd is als Zone de Protection du Patrimoine Architectural, Urbain et Paysager (ZPPAUP – beschermd architecturaal, stedelijk en landschappelijk erfgoed).
Le Corbusier werkt vanaf 1954 aan het “Centre Civique” (centrum van openbare gebouwen) bestaande uit vier gebouwen: het Maison de la Culture (Cultuurhuis), het stadion, het zwembad en de kerk Saint-Pierre.